Logo Universiteit Utrecht

Moedertaal in NT2

Interactieve scaffolding

In deze vorm van scaffolding ondersteunt u de taalontwikkeling van de leerling door in het gesprek strategieën in te zetten, waarbij u zich voortdurend aanpast aan het talige niveau dat de leerling op dat moment heeft. Als u in de klas, bijvoorbeeld, een activiteit doet waarin de vorm van vraagzinnen wordt behandeld, zou u kunnen ‘scaffolden’ door de volgende interactieve strategieën te gebruiken:

  • Herformuleer taaluitingen (oftewel: ‘modelleer’ goede vraagzinnen):
    Layla: “Ryan, ik mag potlood?”
    Docent: “Wat goed dat je het netjes vraagt, Layla. Ryan, Layla vraagt: ‘Mag ik het potlood?’”
  • Vestig de aandacht op benodigde woorden en formuleringen in vraagzinnen:
    Layla: “Ryan, ik moet nu potlood!”
    Docent: “Als je iets aardig wilt vragen, kun je het woord ‘mag’ gebruiken: ‘Mag ik nu het potlood?’”
  • Vraag om preciezer taalgebruik (wat betreft de volgorde van de zin), bijvoorbeeld: “Hoe kun je de vraag zo stellen dat een ander weet dat jij een vraag stelt?”

Op deze manier zet u – metaforisch – steigers neer: u ondersteunt de taalontwikkeling die nodig is om vragen te kunnen stellen in het Nederlands.

Op het moment dat een leerling al zelfstandiger wordt in formulering en grammatica, kunt u de volgende scaffolding-strategieën inzetten:

  • Benoem de kwaliteit van taaluitingen: “Dat is een heel duidelijke vraag, en ik hoor dat hij als vraag is bedoeld.”
  • Herhaal correct geformuleerde vraagzinnen: “Oké, ‘Mag ik van jou een glas water?’ is de vraag van Samir.”
  • Moedig de leerlingen aan om vraagzinnen zelfstandig te formuleren: “Vraag het maar aan Ryan, je weet al hoe het moet!”

Op deze manier worden de – metaforische – steigers weer afgebroken: de leerling kan een bepaalde grammaticale eigenschap van het Nederlands nu zélf toepassen.