Logo Universiteit Utrecht

Moedertaal in NT2

Geplande scaffolding

In deze vorm van scaffolding reikt u ondersteunende middelen aan die u van tevoren hebt bedacht of ontworpen. De ingezette strategieën kunnen hetzelfde zijn als bij interactieve scaffolding (dat wil zeggen: door aandacht te schenken aan benodigde woorden en formuleringen, voorbeeldtaal gebruiken), maar in dit geval biedt u ze niet in het gesprek aan, maar in lesmateriaal. Als u in de klas, bijvoorbeeld, het thema ‘koppelwerkwoorden’ behandelt, zou u kunnen scaffolden door de volgende geplande scaffolding in te zetten:

  • Een schrijfkader: een tekst die al half geschreven is, maar waarin de leerling zelf nog woorden (bijvoorbeeld persoonskenmerken) in kan vullen (zie Figuur 1). Zo krijgt de leerling enerzijds benodigde taalvormen aangeboden, maar wordt ook om eigen taalproductie gevraagd.
  • Voorbeeldzinnen: de docent kan een lijstje met correcte zinnen met een koppelwerkwoord op het digibord projecteren, zodat leerlingen voortdurend toegang hebben tot een ‘model’. Bijvoorbeeld:
    “Ik ben…”
    “Mijn haar is…”
    “Ik word later…”
  • Woordenlijst: de docent kan een lijst met relevante woordenschat samenstellen, het liefst samen met de leerlingen, en die op het digibord projecteren. Leerlingen kunnen zo voortdurend uit die woordenlijst putten bij het formuleren van hun zinnen.